De Vergrijzingsproblematiek doorheen de Geschiedenis

De jongste tijd is er veel te doen over de vergrijzingsproblematiek. Iedere politieker, econoom, socioloog, deskundige inzake arbeidsrecht, arbeidsverhoudingen enz. tracht hier zijn woordje te plaatsen om de subsidies voor het “specialistisch onderzoek” waarmee ze onledig zijn te verdedigen. Twee van dezen zijn de professoren Schoors en Peersman die in hun boek “De Perfecte Storm” vooral de verantwoordelijkheid voor de ontoereikendheid van de middelen willen toeschrijven aan de zogenaamde babyboomgeneratie.

Hun bedoeling ligt er vingerdik op, nl. het opzetten van de generaties tegen mekaar, met als doel de regering Di Rupo in haar taxatiedrift te steunen zonder veel te reppen over wat de politiek in dit domein kapot maakte door het nemen van de verkeerde beslissingen en het voorspiegelen aan het publiek van onbestaande pensioenreserves in een fictief zilverfonds door Vandelanotte. Dezelfde campagne deed zich reeds meer dan tien jaar geleden voor toen Hugo Deridder gelijkaardige standpunten verdedigde.

De vergrijzing is inderdaad een ingewikkeld kluwen, waar niet alleen de actieve leeftijd, de activiteitsduur, de hoogte van de bijdragen en  uitkeringen en het rendement een rol spelen, maar vooral de vorm waarin de kapitalen ontvangen, uitgekeerd en beheerd worden. In die zin kan men zich de vraag stellen waarom in Nederland de pensioenorganismen in een veel betere financiële situatie  dan in België verkeren waardoor de vergrijzingsproblematiek er zich minder prangend stelt.

Een gedeelte van het antwoord ligt wellicht vooreerst in het feit dat er reeds veel vroeger dan bij ons maatregelen met het oog op het verlengen van de effectieve loopbaan en optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd getroffen werden. Bovendien kent Nederland in vergelijking met België een gemengd pensioensysteem d.w.z. deels bestaand  uit een repartitie- of omslagstelsel en deels uit een kapitalisatiesysteem. In het eerste geval worden de bijdragen collectief gekapitaliseerd en op korte termijn in uitkeringen omgezet, terwijl in het tweede geval door individuele kapitalisatie een kapitaal gevormd wordt dat rente ten behoeve van de pensioenvorming genereert .

Tot het midden van de jaren vijftig kende België een systeem van individuele kapitalisatie dat door de toenmalige ASLK tot algemene tevredenheid beheerd werd. De ASLK was bovendien in die jaren een instelling met een eigen statuut waar de politiek  geen enkele vat op had. De toenmalige socialistisch-liberale regering met Achiel Van Acker als eerste minister en Leon-Eli Troclet als minister van arbeid en sociale voorzorg wou in het kader van de hervorming van de maatschappelijke zekerheid het omslagstelsel invoeren en generaliseren en de pensioenen rechtstreeks laten uitbetalen door het actieve deel van de bevolking aan het niet actieve gedeelte en aldus een solidariteit tussen de verschillende generaties bewerkstelligen.

De plannen van Troclet stuitten in ieder geval op veel politieke weerstand en in de katholieke kranten werd hij betiteld als een onhandelbaar doctrinair. Hier was wellicht zijn lidmaatschap van de loge niet helemaal vreemd aan. Het directiecomité van de ASLK liet daarom niet na om gedurende de tweede helft van de jaren veertig de minister van financiën te wijzen op de gevaren van een dergelijk repartitiestelsel. Dit was mogelijk omdat de Lijfrentekas van de ASLK, als belangrijke sociale verzekeringsinstelling aan deze regeling ontsnapte doordat ze één enkel rechtspersoon met de ASLK vormde en onder voogdij van de minister van financiën die een liberaal of katholiek was stond.

De echte bedoeling van de regering in het algemeen en van Troclet in het bijzonder was echter in het raam van een keynesiaanse economische politiek de instellingen van de overheidssector te stroomlijnen en onder éénzelfde statuut onder te brengen en de monopoliepositie en almacht van een nochtans goed werkende en apolitieke ASLK te breken. Daarom koos ze resoluut voor het repartitiesysteem en richtte midden de jaren vijftig een viertal sterk verpolitiseerde uitbetalingsinstellingen op die ze naar eigen goeddunken met partijgangers  op sleutelposities in de haar gewenste richting kon sturen.

Deze keuze voor collectieve fondsvorming ten nadele van individuele fondsvorming zou later aan de politiekers van alle boord, maar vooral aan de linkerzijde zwaar aangerekend worden vermits alles afhing voor de pensioenfinanciering van de grootte van de actieve bevolking en de conjunctuurevolutie. Waar men een hoogconjunctuur in de jaren vijftig en zestig kende met de daarmee gepaard gaande babyboom, dan was de conjunctuurevolutie vanaf de jaren zeventig aan talrijke schokken onderworpen. Ook de bevolkingspiramide werd overhoop gegooid met een brede top ouderen bovenaan en een inkrimpend gedeelte jongeren onderaan.

Bijgevolg kan men zich de vraag stellen of de onvoorwaardelijke keuze voor het omslagstelsel wel de goede was en of we beter niet gekozen hadden voor een gemengd systeem zoals in Nederland waar men minder van het overheidsbudget afhankelijk is voor de financiering van het pensioensysteem en naast de collectieve ook een belangrijk stuk individuele kapitalisatie kent. Wanneer men nochtans in de eerste plaats voor  het omslagstelsel kiest zoals onze politiek correcten komt men van de regen in de drop terecht, o.m. rekening gehouden met de wilde migratie zoals die ons opgedrongen wordt en die een zware belasting voor de sociale zekerheid en de overheidsfinanciën betekent.

In heel dit verhaal komt deze verpletterende verantwoordelijkheid van de linksen die ons met een vergiftigde erfenis opzadelden vroeger en nu steeds duidelijker tot uiting in hun drang naar verpolitisering, de korte temijnpolitiek, het gemis aan economisch inzicht en het misprijzen voor de gewone man en het publiek dat ze geacht zijn te verdedigen. Meer dan waarschijnlijk zullen ze om een oplossing te vinden  in één of ander begrotingsconclaaf oordelen dat niet alleen de pensioenen zullen verminderd worden, maar op vraag van de eurocratie tevens de bijdragen verhoogd. Met dank bij voorbaat van de hardwerkende Vlaming aan onze vlaamse regeringspartijen en Di Rupo.

image_pdfimage_print
Share

Reacties

De Vergrijzingsproblematiek doorheen de Geschiedenis — 2 reacties

  1. Pingback: Lang leve lage nataliteit – Gephileerd

  2. Een degelijke analyse.Hier kan nog aan toegevoegd worden dat volgens een OESO rapport van enkele jaren geleden het echte probleem in België, het feit is dat 33% van de pensioentrekkers nooit heeft bijgedragen, voor zijn pensioen. Deze 33% is dan ook een énorm stemmenreservoir dat kan afgedreigd worden door links en de loge, maar dat wel moet betaald worden door diegenen die niet voor links stemmen. Om een dergelijk systeem in stand te houden is het repartitiestelsel dan ook absoluut noodzakelijk ,in plaats van het kapitalisatiesysteem, waarbij iedereen voor zichzelf verantwoordelijk is. De sociale zekerheid en het progessieve belastingssysteem passen in hetzelfde plaatje. Via de zogezegde “solidariteit” kan een stemmenreservoir in leven gehouden worden van wiens stemmen men zeker is, en dit op kosten van de werkende en of belastingbetalende middenklasse. In de USA doet zich nu hetzelfde voor via o.a de “food stamps”. Zoals reeds vroeger vermeld via de uitspraak van Ron Paul(USA): “de zuivere demokratie is gevaarlijk als ze gekocht wordt”. Uiteindelijk gaat het hier niet om pensioenen, maar om de macht van volksvreemde en vijandige mafia’s.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *