Quid Nunc?

We hebben naar aanleiding van deze fête nationale van het staatshoofd godsdienstles gekregen over profeten en zo, plus als toemaatje een serie clowneske leugens bovenop moeten slikken.
Wat nu?” Wel we laten even Gerolf Annemans aan het woord met een uittreksel uit zijn nieuwe boek “Quid Nunc” waarin hij de ordelijke opdeling van België in 10 vragen en antwoorden uit de doeken doet. Maar laten we beginnen met een van zijn eerste conclusies.

Conclusie: het Belgische confederalisme is in de praktijk onwerkbaar en alleszins voor Vlaanderen nadelig. Het zal de nadelen van de oude unitaire staat combineren met de nadelen van de door de francofonie afgedwongen grendels. (Boenk erop!)

Confederalisme en de media: een marktconform ‘spookbegrip’.

De semantische vaagheid van het woord ‘confederalisme’ binnen de Belgische compromiscultuur is onlosmakelijk verbonden met pogingen in de media om niet alleen het woord te kneden, maar eveneens het ding zelf. Deze ver doorgedreven vorm van ‘framing’ toont zich als een volmaakte wisselwerking tussen beschrijvend taalgebruik en voor­schrijvend of ‘prescriptief’ taalgebruik. Dat vergt een filosofische uitweiding.

Al in de dertiende eeuw stelde de filosoof-monnik William van Ockham (1280-1347) dat woorden maar woorden zijn en niet noodzakelijk voor dingen staan. Daarmee werd hij de grondlegger van het nominalisme, via het welbekende ‘scheermes van Ockham’: “Entia non sunt praeter necessitatem multiplicanda.” (Men moet de zijnden niet zonder noodzaak verveelvoudigen.) Dit scheermes zou vandaag heel goed van pas komen, want het krioelt in het taalgebruik van spookbegrippen, woorden die zogezegd voor dingen staan, maar bij nader toezien helemaal voor niets, tenzij hersenspinsels.

De media hebben zich die kritische Ockham-attitude niet eigen gemaakt, integendeel: ze produceren zelf de luchtspiegelingen. Sinds de simulacratheorie van mediafilosoof Jean Baudrillard (1929-2007) weten we hoe dat werkt: de media produceren ‘nieuws’ en geven ‘duiding’, niet vanuit een informatieve impuls, op zoek naar zoiets als waarheid, maar om een eigen, virtuele realiteit te creëren die kneedbaar is. De taal speelt daarin uiteraard een sleutelrol. Door neologismen te introduceren en betekenissen te verschuiven, draait heel het mediacircus eigenlijk rond zichzelf en zuigt het realiteit als het ware op, om haar terug uit te spuwen als ‘Virtual reality’.

Het simulacrum is daarin een tot beeld geprojecteerd begrip waarvan iedereen aanneemt dat het er is, terwijl een ernstige taalfilosofische kritiek daar eigenlijk korte metten mee zou moeten maken. Maar dat gebeurt niet. In feite gebeurt het omgekeerde, namelijk een cognitieve degradatie waarbij steeds meer mensen begrippen en beelden delen die compleet ‘in de lucht hangen’. Simulacra zijn in feite platonismen op hun kop. Terwijl Plato uitging van een ideële wereld die de echte werkelijkheid zou uitmaken – een visie waartegen Ockham zich keerde- is de virtuele realiteit een verzelfstandigde schaduwwereld die zich losgemaakt heeft van de concrete realiteit. In die schaduwwereld is alle ruimte voor manipulatie, het gaat meer om een soort literaire verdichting maar dan zo dat iedereen denkt dat men vlak op de ‘actualiteit’ zit. De pers volgt de werkelijkheid dus niet, ze produceert haar zelf, in een afgeleide en sterk efemere vorm. Haast als een stripverhaal.

Dit systeem van verhulling en omzwachteling kan op zijn beurt niet los gezien worden van de markt waarin de media spelen. Een krant moet rendabel zijn en dat is primair niet via de abonnementen en losse verkoop, maar via de reclame-inkomsten. De reclametarieven zijn op hun beurt afhankelijk van het lezersbereik, uitgedrukt in de CIM-cijfers. Er zijn dus lezers nodig om reclame te kunnen verkopen, maar redactioneel kan men zich niet permitteren om al te verregaand te polariseren en lezers af te stoten. Het debat moet dus gaan over ofwel onbenulligheden of gebakken lucht dan wel ‘mainstream’ politieke opinies. Het redactionele luik van een krant wordt eigenlijk maar vulsel tussen de advertentieruimtes. Op die manier kan men, perfect marktconform, een ‘publiek debat’ aan de gang houden dat steeds maar weer tot bedrukt papier leidt.

Op die manier is de woordenwolk een gesloten semantisch circuit dat de lezer in essentie verstrooit, ‘aan de praat houdt’. Dat brengt ons opnieuw bij de simulacra, waarvan het woord ‘confederalisme’ een eminent voorbeeld is. Het begrip behoort tot een begrippenkader dat de echte realiteit (namelijk de onhoudbaarheid van de Belgische constructie) herkneedt tot een quasi-realiteit die deze constructie juist bevestigt. Zelden of nooit wordt gezegd dat de keizer geen kleren aan heeft en dat een confederatie in wezen hetzelfde is als een statenbond. In plaats daarvan wordt de mediatieke en aan economische wetmatigheden gebonden versluiering van het woord ten top gedreven, om zo de ballon zo lang mogelijk in de lucht te houden. Het is als een soapserie die in principe nooit eindigt en altijd een nieuwe wending kan krijgen – ad infinitum. De redactie kauwt het voor, de zogenaamde ‘opiniemakers’ volgen.

Een krant als De Standaard heeft dat spel perfect in de vingers. Beurtelings wordt het confederalisme verkocht als separatisme (bij monde van Elio di Rupo en Eric Van Rompuy), de volgende keer wordt Ben Weyts van stal gehaald die iets in de trant van een ‘confederaal deelstatensysteem’ als een eindstation beschouwt. De verschillende opiniemakers pikken hier verder op in. Netto bereikt de krant een soort semantisch nulpunt, waarbij de lezer zich meer in een circustent waant dan in een politiek debat. Dit labiel evenwicht is dan weer de grondformule van de Belgische constructie zelf. Men zou die creativiteit nog verder kunnen zetten, en bijvoorbeeld op een zeker ogenblik het woord metafederalisme’ introduceren. Of het begrip multifederatie’.

Allemaal spookbegrippen die, eerder dan zich met de werkelijkheid bezig te houden, het publieke debat’ voeden als een theologisch debat over het engelengeslacht. Ze vervuilen enorm de taal en veroorzaken voortdurend ruis in het debat – met voorbedachtheid. Het is opmerkelijk – en hiervoor moet men echt Baudrillard herlezen – hoe de marktwetmatigheid van de krant of het weekblad convergeert met de overlevingsstrategie van de Belgische staat zelf. De dwangmatigheid om als medium de lezer te entertainen, de adverteerder tevreden te stellen, door de reële contradicties te ondopen, spiegelt zich helemaal aan de dwangmatigheid van het Belgische politieke establishment om de kiezer te verstrooien en de onmogelijkheid van het Belgisch feit te verdoezelen.

Niet toevallig is de cohabitatie tussen politiek en pers in België erg uitgesproken. Ze delen dezelfde belangen, in een gelijklopende overlevingsstrijd. De lezer-kiezer-consument heeft daarin vrijwel geen enkele cognitieve vluchtheuvel. Tenzij… de ‘ondergrondse’ pers en een politieke partij als het Vlaams Belang die zich nadrukkelijk distantieert van de Belgische neoplatonismen alias simulacra. De sancties tegen dit iconoclast-subversief optreden van de uitzonderingspartij zijn dan ook navenant. Ze ziet het dan ook als haar opdracht wat de Vlaamse bestuurslui niet willen weten onder de aandacht te brengen van het volk.

Daar zijn tal van mensen bij die niet alleen passief gewonnen zijn voor een Vlaamse republiek, maar ook sleutelfiguren die, overtuigd door een coherent verhaal over hoe die staatsvorming op de rails kan worden gezet, bereid zijn om hun invloed en bekwaamheden aan te wenden om de breuk met België tot een succes voor Vlaanderen te maken. Inzicht in de wisselwerking tussen nationale identiteit, grondgebied, zelfbeschikking én confederalisme maakt deel uit van een intellectuele achtergrond die zulke mensen over de brug kan trekken.

h/t Gerolf Annemans

“Quid Nunc?” is uitgegeven bij uitgeverij Egmont, telt inclusief 27 pagina’s verklarende eindnoten 272 pagina’s en kost 15 € + verzendingskosten.

N.v.d.r.: Wij rekenen Nageltjes bij de ondergrondse pers

 

image_pdfimage_print
Share

Reacties

Quid Nunc? — 5 reacties

  1. Gewoon de schaar erin en die navelstreng doorknippen, besparing ± 20 miljard euro jaarlijks voor de Vlamingen.
    Geen monarchie meer te onderhouden.
    Geen franskiljons meer te onderhouden.
    Geen parasiterende overbodige ambtenaren meer te onderhouden.
    Geen EU misdaadorganisatie meer te onderhouden.
    Geen BRT meer te onderhouden.
    Geen vreemdelingen meer te onderhouden.
    Elke Vlaming 250 euro maandelijks meer op zijn rekening w.w.z. een gezin met 2 kinderen 1.000 euro per maand meer op de rekening.
    Grenzen sluiten en bewaken en al wat hier reeds rondloopt en geen toegevoegde waarde kan leveren hupsakee ermee dan pas komt er terug rust, veiligheid en leefbaarheid en sowieso welvaart want door de belastingen drastisch te verlagen vloeit welvaart binnen en werkloosheid buiten.
    Willen we dat snel bereiken dan vooral nooit op groen en rood stemmen en de tjeven, blauwe duiven en NBA de wacht aanzeggen “Doen wat Wij willen dat gedaan moet worden” dat noemen we “Democratie”.

  2. Alhoewel ik het volledig eens ben met deze analyse heb ik ze toch verschillende keren moeten lezen vooraleer ik ze begreep en de draagwijdte kon inschatten. Daarom ware het beter het essentiële van de boodschap in een meer duidelijker en eventueel verkorte vorm, zonder herhalingen in de tekst, te brengen wil ze een grote verspreiding en bijval krijgen, ook bij de gewone Vlaming. Immers, datgene wat wij willen bereiken gaat niet alleen een beperkte elite, maar ook de man in de straat aan.

    • Beste,

      Als men via een nauwkeurige analyse en een objectieve synthese iets wil formuleren op een onomstootbare manier, klinkt dat automatisch iets ingewikkelder als normaal. Het boek van Annemans heeft de bedoeling een wetenschappelijk en geschiedkundig verantwoord referentiewerk te zijn. Wij zijn er van overtuigd dat het aanleiding zal geven tot een groot aantal gemakkelijk te begrijpen samenvattingen en afgeleide formuleringen in vele waarheidsgetrouwe argumentaties en pamfletten voor de modale Vlaming.

      Het gepubliceerde uittreksel wordt bij nageltjes meestal samengevat in twee woordjes : “de leugenpers”. Gerolf Annemans gebruikt dat woord niet maar geeft daarentegen op drie pagina’s van zijn boek een uitgebreide omschrijving van het fenomeen en licht ook het ontstaan ervan, de oorzaken en de gevolgen ervan toe. Omdat die omschrijving belangrijk is om ook al de andere door hem geanalyseerde feiten en problemen te begrijpen en te doorgronden.

      Maar “Quid Nunc” is natuurlijk meer dan dat. Gerolf Annemans zet opnieuw de bakens uit. Hij rekent genadeloos af met het zorgvuldig ‘georganiseerde’ misverstand rond confederalisme. Hij waarschuwt voor het zijden draadje waaraan Brussel hangt, de verleiding van de (dictatoriale) EU, en geeft tot slot in 10 door iedereen gemakkelijk te begrijpen vragen en antwoorden een strategie om de achterstand van Vlaanderen in “staatsvaardigheid” op de Franstalige Belgen in het halen.

      • Zelf heb ik mij het boek ook aangeschaft, maar nog niet gelezen. Uit ervaring met Gerolf Annemans zijn boeken weet ik dat hij zorgvuldig en grondig te werk gaat. Iets wat hij gans zijn politieke carrière altijd gedaan heeft. Vriend en vijand zijn het daar over eens. Zo loofde Renaat Landuyt zijn werk in de Dutroux commissie. Hoewel we dat maar 1 keer te zien en te horen kregen.

    • Een referentie en wetenschappelijk werk is belangrijk, maar de sprong daartussen naar wat betreft vulgarisatie en verspreiding is moeilijk op te vullen door het ontbreken van het nodige potentieel aan inzet en de aanwezigheid van militanten die op een strijdbare en tegelijkertijd bevattelijke manier de theoretische boodschap in de praktijk kond kunnen maken. Komt daarbij de boycot van de andere uitgeverijen die weigeren dit boek en andere publicaties daaromtrent in boekhandel te leveren en/of tentoon te stellen. En uiteindelijk het zwijgen of verdraaien door de politiek en vooringenomen media media.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *