Ja wadde Torfs

Ik vreesde aanvankelijk dat Rik Torfs het op een geestige, humoristische manier over het geslacht van de engelen zou hebben in zijn opiniestuk in Knack.
Maar oh, wat ben ik verrast.

Ik kan hem op alle punten nagenoeg bijtreden. Echt het lezen waard.
Echter, ik geloof niet in alle leraren, en geef toch de kinderen niet op. (nu ja, sommige wel, maar dat is ook niet de fout van de leraren)
Er zijn er namelijk veel die beter een ander beroep hadden gekozen; die leraar zijn geworden net vanwege de vele vakanties, de mogelijkheid om zelf hun kinderen op te vangen (vooral vrouwen kozen daarom voor het onderwijs, en niet onbegrijpelijk. Ik wil ook weerleggen dat elk vak evenveel moeite en voorbereiding kost. ( tijd die men graag bij de uren voor de klas telt). Naarmate men langer lesgeeft ontstaat er routine, duren lesvoorbereidingen minder lang. Neem nu Frans, geschiedenis, godsdienst, L.O, maar ook in wiskunde. Als er al iets verandert dan in die vakken dan gaat het vrijwel altijd boven het petje van de leerlingen ( en van de meeste leerkrachten) En de geschiedenis bvb, die verandert nooit . Dat de leraar creatief moet zijn en zijn vakken echt moet beheersen staat buiten kijf. Het is ook voor hem/haar noodzakelijk om die boeiend te houden, de sleur te doorbreken, en niet alleen voor de kinderen. Ik voel de verontwaardiging om mijn kritische noten al opborrelen bij de (ex) leerkrachten.
Laat ik die wellicht nog aanwakkeren met de uitspraak: leerkracht is geen zwaar beroep, hoogstens dat van de kleuterjuf en de leraar/lerares van het eerste leerjaar, die tegen al dat gejank en gekrijs moeten kunnen, en horendol naar huis gaan.
Tot slot: Ik ben dan wel geen leerkracht. Ik zou ontgoochelt zijn de dag dat mijn zoon mij overtreft, maar de trots en tevredenheid die ik dan zou voelen zou dat primaire gevoel vele malen overtreffen. Dat is ook hoe een leerkracht zich moet verhouden tot zijn leerlingen.
En zoals Torfs goed beschreef : niet vluchten in gelijkheid als alibi om de vrees te sublimeren door intelligente en kritische leerlingen te worden overvleugeld.

Rik Torfs’ tips voor leerkrachten: ‘Volg de regels niet’
Uit Knack van 04/07/18
(Met dank aan Michel Berger voor de tip)

Wie niet langer gelooft in de leraar, geeft ook de jeugd op. Rik Torfs roept de leerkrachten op weer meer trots te vinden in hun werk. ‘Een echte leraar is altijd een beetje een artiest.’

Vele jaren geleden, het moet rond 1970 zijn geweest, zag ik een televisieprogramma waarin ouders de raad kregen van hun kinderen niet het onmogelijke te eisen. Zo mag een leraar niet vragen, hopen of verwachten dat zijn kind het even ver schopt als hijzelf en ook leraar wordt. De beelden vond ik nooit terug, maar ik dacht er vaak aan. Het lijkt vandaag onvoorstelbaar, het leraarschap dat doorgaat als een topjob. Gladde reclamejongens genieten in onze tijd meer waardering dan wie de jeugd onderwijst. Leraren zijn voor veel medeburgers lui met een middelmatige intelligentie en eindeloos durende vakanties. De leraarskamer is een symbool van geestelijke leegte, waarin de gesprekken voornamelijk over realityshows op de televisie en echtscheidingsperikelen van de nukkige schoolvossen zelf gaan. Niet over de Metamorfosen van Publius Ovidius Naso, zoals je van ‘hoogopgeleiden’ zou verwachten.

Nochtans, wie niet langer gelooft in de leraar, geeft ook de jeugd op. Vindt haar minder belangrijk dan het eigen ogenblikkelijke genot.

Hoe kan de leraar in deze tijd overleven? Meer, hoe kan hij of zij, want meestal gaat het om een vrouw, met professionele trots en persoonlijke voldoening het leraarsberoep uitoefenen? Een plan in vijf punten.

1. Ken uw vak en bemin het

Dat is de sleutel van alles. Wie zich als een vis in het water voelt in de materie die hij doceert, geeft beter les. Juist omdat die kennis zo vanzelfsprekend lijkt, verzeilt ze weleens op de achtergrond. De pedagogische vorming neemt bij de opleiding van leerkrachten te veel plaats in, ten koste van algemene en vakkennis. Wat baat het allerlei kneepjes onder de knie te hebben om vervolgens een vak te onderwijzen dat je zelf maar matig beheerst? Dat bleek duidelijk toen recent in Vlaanderen klachten over de belabberde kennis van het Frans bij scholieren naar boven kwamen. Vlaanderen haalde op dat gebied Nederland in, een prestatie. Een belangrijke oorzaak van de neergang is dat onderwijzers en vak-leraren vaak zelf niet in staat zijn om vlot Frans te spreken. Ze weten perfect hoe ze erover moeten doceren, maar de taal beheersen ze nauwelijks.
Ook het woord ‘lesvoorbereiding’ wordt te eng geïnterpreteerd. Een leraar kan natuurlijk, ’s avonds thuis bij kunstlicht, een les tot in de puntjes voorbereiden. Ze duurt exact 48 minuten, na een kwartier komt er een grap en de powerpointpresentatie is in orde. In het oog springend nadeel: ruimte voor impro-visatie of gesprek blijft er nauwelijks.

Hoe dan ook, de echte voorbereiding is het leven zelf. Hoe iemand zijn vak beleeft, de ontwikkelingen ervan volgt, dwarsverbanden legt. Wie van zijn vak houdt, is er altijd mee bezig, ook als hij zich in de sporthal bevindt of naar bizarre internetsites kijkt. Het houdt hem gezelschap in goede en kwade dagen. Ik herinner me hoe ik, heel lang geleden, een oud-leraar een prentkaart stuurde met daarop de abdij van Jumièges in Normandië. De geadresseerde bleek de afgebeelde ruïne heel goed te kennen, had het er geregeld over in zijn lessen, vertelde dertienjarigen hoe de Vikingen de site plunderden. Hij greep het simpele kaartje aan om zich verder in de geschiedenis van de abdij te verdiepen. Midden in de vakantie. Zonder enige les in het verschiet, die dringend moest worden voorbereid. Op zijn werktafel lag altijd wel een Franse roman, de laatste Prix Goncourt bijvoorbeeld. En de Parijse politiek volgde hij op de voet. Ook hoger opgeleide ouders konden moeilijk anders dan hem ernstig nemen.

Kortom, de eerste les voor leraars is: ware kennis van uw vak is de beste lesvoorbereiding. En ze is de sleutel voor uw zelfvertrouwen in een samenleving die onderwijzers en leraren niet langer automatisch waardeert. Dat kan een startpunt zijn voor licht subversief gedrag dat ik iedere leraar toewens.

2. Volg de regels niet

Doet een leraar dat wel, dan is lesgeven vrijwel onmogelijk. Eindtermen in koeterwaals, administratieve verplichtingen, opvoedingstaken die eigenlijk ouders toekomen, troosteloze invulboeken: zij staan allemaal dat in de weg waar de echte leraar goed in is en waarom hij koos voor zijn vak: het plezier van het lesgeven. Ik weet dat het gemakkelijker gezegd is dan gedaan, maar een leraar zou moeten weigeren absurde taken op te nemen of aan onredelijke eisen te beantwoorden. En wel hierom: een echte leraar is altijd een beetje een artiest, niet zomaar een functionaris. Een functionaris kun je vragen een strikte verslaggeving van zijn activiteiten aan te reiken. Wanneer vond de vorige controle van het blusapparaat plaats? U leest het op het apparaat zelf. Wanneer werden de toiletten van de luchthaven voor het laatst gereinigd? Een geparafeerd papier op de binnendeur leert het u.

Dat leraren over al hun activiteiten papieren moeten invullen, laat twee dingen zien. Vooreerst dat ze volgens hun bazen niet te vertrouwen zijn, anders was die papierwinkel overbodig. Vervolgens, en fundamenteler, dat ze als uitvoerders van een opdracht worden beschouwd en niet als creatieve geesten. Functionarissen, geen artiesten.

Collega’s die aan de universiteit papieren moesten invullen, gaf ik altijd de volgende raad: doe niets. Daarna komt een tweede mailtje met de dringende vraag alsnog een antwoord te verschaffen. Hou vol, hul u in stilte. Vervolgens arriveert er een nieuw, lichtjes alarmerend bericht: ‘Dit is uw laatste kans.’ Dat is het moment om uw karaktersterkte te tonen: druk op de delete-knop. Als u daartoe de moed hebt, volgt er niets meer. De administratie gaat ervan uit dat u na drie mails braaf in de pas loopt. Ze beschikt niet over een vervolgscenario.

Worden de bazen boos op u? Zou kunnen. Maar uw beste bescherming is de kwaliteit van uw lessen.

3. Leerlingen springen niet ver, of niet ver genoeg, met vakkennis alleen.

Daar is iedereen het vandaag over eens. Studeren is maar een begin, permanente vorming geldt als vanzelfsprekend. Tegelijk horen we voortdurend pleidooien voor de invoering van specifieke vakken die juist wel op detailkennis en weetjes mikken, die dus de tegenovergestelde gedachte belichamen. Een vak sociale zekerheid, eerste hulp bij ongevallen, financiële geletterdheid: volgens sommigen zouden ze allemaal op de middelbare school verplicht moeten worden. Niet dat die vakken nutteloos zijn. Maar ze zijn afgeleiden, toepassingen, ze mikken niet op brede algemene kennis of kritische zin. Terwijl de school jongeren moet vormen tot weerbare mensen die met tegenslagen om kunnen gaan en niet te lang bij hun eigen successen stilstaan.

Kritisch denken bereik je niet door, nauwelijks verhuld, leerlingen een ideologie door de strot te duwen. Een vak burgerschap houdt een valstrik in. Lessen in democratie en burgerzin maken er deel van uit. En jongeren moeten kritisch leren denken, dat ook. Daar zit al een verborgen contradictie in. De plicht om kritisch te denken maakt een doelstelling van wat een houding hoort te zijn.

Helemaal fout is het in universitaire kringen vaak gepromote vak ‘ Global Citizenship’. De Engelse titel en het impliciete conformisme dat in het hanteren van een modeterm verscholen zit, zouden al argwaan moeten wekken. De 17 sustainable development goals waarover de Verenigde Naties in 2015 politiek akkoord gingen, zouden de leidraad voor zo’n vak vormen. Het zijn vaak heel laconieke, erg abstracte begrippen waar niemand tegen kan zijn, zoals ‘ no poverty’, ‘zero hunger’ en ‘quality education’. Maar het is natuurlijk wel mogelijk aan algemene begrippen waarover politieke consensus werd bereikt een uitgesproken ideologische inhoud te verschaffen die bovendien als wetenschappelijk wordt voorgesteld.

Een raad aan de leraren: dring uw leerlingen die ideeën niet op, zeker niet als u ze zelf politiek ondersteunt. Jongeren hebben ideologische manipulatie vlug door en gaan al gauw het tegenovergestelde denken. Durf te choqueren en te verrassen. Laat leerlingen debatteren over gevoelige maatschappelijke onderwerpen zoals migratie en gelijkheid en spoor hen aan om een positie in te nemen die niet de hunne is. Nu en dan ook een stelling die op het randje is. Niet alleen leidt dit tot meer empathie voor anderen. Het helpt ook om wat leerlingen uiteindelijk de beste oplossing vinden niet als de enig juiste te zien. Kortom, het tegenovergestelde van een enge, beheersbare en geruststellende visie op global citizenship, maar een blik op de wereld zoals hij werkelijk is, complex en dubbelzinnig, ook in ieders eigen straat.

4. Stimuleer nieuwe vaardigheden, maar vergeet de oude niet.

De laatste jaren doen bewindslui er alles aan om jongeren te overtuigen voor de STEM-richtingen te kiezen. Science, technology, engineering, mathematics. De toekomst. Wiskunde en wetenschappen. Dat in die gebieden een mooie professionele carrière uit te bouwen valt, is juist. Fout evenwel is de gedachte dat die mathematische kennis tegelijk een mechanische benadering en evaluatie van de leerstof vereist. Dat ze een homo mathematicus creëert. Het is niet omdat iemand wiskundig is geschoold dat zijn leven mathematische dimensies moet aannemen. Behoorlijk spreken en schrijven is ook voor een wiskundige van belang. Een diploma behalen na uitsluitend multiplechoice-examens te hebben afgelegd, wat vandaag in sommige opleidingen aan universiteiten kan, is een aanfluiting van de algemene vorming.

Een verstandige leraar laat zich niet verblinden door de verandering, maar heeft ook aandacht voor wat ongewijzigd blijft. Niet eenvoudig: we worden zodanig met verhalen over de ‘razendsnel evoluerende kennismaatschappij’ om de oren geslagen, dat we beginnen te geloven dat de kennis die we ’s morgens verwerven ’s avonds verouderd is. Een beetje zoals de waarde van het geld bij hyperinflatie: bij zonsondergang koop je één brood met het geld waarmee je er enkele uren eerder twee kon betalen.

Maar niet alles verandert. Het is zaak oog te hebben voor wat constant blijft, in sommige gevallen zelfs van alle tijden is. Daarbij hoort de menselijke behoefte om te blijven communiceren, meer, vaker, intenser dan vanuit een puur praktisch oogpunt noodzakelijk lijkt. E-commerce en buurtwinkels maken op hetzelfde moment furore. Wat contradictorisch lijkt, is in feite gewoon menselijk.

In ieder geval blijven spreken en schrijven essentieel, ook al spelen ze niet in ieders leven een even belangrijke rol. Taal is meer dan een manier om tot uitdrukking te brengen wat we denken, ze is een onderdeel van onze gedachten. En op die wijze ook een stuk van ieders mens-zijn.

Vooruitgang wordt vaak gezien als het achter ons laten van het verleden, terwijl we ons in nieuwe gewaden hullen: STEM en cijfers tegenover taal en woorden. Een kritische leraar laat zich niet vangen door valse dilemma’s. Hij laat zich evenmin meedrijven met de mode, voor zover die geen teken van vernieuwing maar een uiting van volgzaamheid is. In dat verband blijft een citaat van Nicolás Gómez Dávila onverkort overeind: ‘Tegen de stroom oproeien is niet onverstandig als de rivier vloeit in de richting van watervallen.’

5. Stimuleer de ongelijkheid tussen uw leerlingen.

Daarmee wil ik niet zeggen dat sociale barrières aanvaardbaar zijn of dat gelijke kansen plotseling niet meer hoeven. Integendeel, laat het bijzonder duidelijk zijn, op dat gebied mogen we absoluut geen concessies doen.

Maar er bestaat ook een verkrampte versie van gelijke kansen die langzaam overvloeit in inhoudelijke gelijkheid. En die laat ideologie primeren op het belang van de individuele leerling. Zo bereidt Wallonië een onderwijshervorming voor waarin alle leerlingen tot ze zestien zijn op school exact hetzelfde vakkenpakket krijgen voorgeschoteld. Aanleg voor Latijn of niet, talent voor technologie of heel weinig: iedereen hetzelfde. Waardoor een vorming in wat jongeren echt interesseert te schraal wordt, en de afkeer voor wat ze tegen heug en meug wordt voorgeschoteld, levenslang blijft duren. Gedwongen Latijn. Verplichte technologische opvoeding voor motorisch gestoorden. Erken gewoon dat mensen andere talenten hebben, het ene is niet beter dan het andere, maar ze verschillen van elkaar. Vlak ze niet af. Het verschil tussen mensen is de sleutel van hun persoonlijk succes, maar ook van maatschappelijke vooruitgang. Stimuleer jongeren dus om hun talent te ontplooien waardoor ze vanzelf van anderen zullen verschillen. Fnuik hun talent niet door hen eenheidsworst te voeren. Iemand die zeer begaafd is in wiskunde heeft niet genoeg aan standaardoefeningen alleen. Zoals iemand met aanleg voor schrijven meer in zijn mars heeft dan het opstellen van een correcte e-mail. In beide gevallen bot het banale karakter van de gegeven opdrachten hun creativiteit af.

Ongelijkheid is een gegeven. En de motor voor elke dynamiek. Koester haar, daarna blijft er nog meer dan genoeg tijd en ruimte over voor herverdeling, waar elk maatschappelijk debat over gaat, of het nu op gelijkheid inzoomt, op rechtvaardigheid, klimaat, diversiteit of gelijke kansen. Wezenlijk gaat het altijd over herverdeling. Maar die is pas mogelijk bij de gratie van ongelijkheid, van ongelijke talenten die, zoals dat soms wat simpel en sloganesk wordt uitgedrukt, ‘het verschil maken’.
Het stimuleren van ongelijkheid is voor een leraar niet altijd simpel. Wie lesgeeft, hoe verstandig hij ook is, ontdekt tijdens zijn carrière altijd mensen die intelligenter zijn dan hijzelf. Hij moet sterk in zijn schoenen staan om dat aan te kunnen. Slaagt hij daar niet in, dan is ‘gelijkheid’, zonder oog voor iemands specifieke talenten, een gemakkelijke en bovendien schijnbaar rechtvaardige weg om te vluchten. Bestaat er een mooier alibi dan gelijke behandeling, een moreel principe, om de vrees te sublimeren door intelligente en kritische leerlingen te worden overvleugeld?

Nochtans is juist de bekentenis niet de sterkste te zijn iets dat altijd bijblijft, en de leraar die ze durft te doen onvergetelijk maakt. Ik herinner me uit mijn eigen schooltijd verschillende strategieën die onderwijzers en leraren gebruikten om kritiek het hoofd te bieden. Eentje beweerde zelfs dat hij gelijk had omdat hij tijdens zijn opleiding de grammatica van P.C. Paardekooper (1920-2013) uit het hoofd had moeten leren, wat voor zijn leerlingen tot de verplichting leidde hem daarvoor te loven. Veel mooier vond ik een uitspraak van mijn onderwijzer uit de vijfde klas: ‘Van iedereen die hier aanwezig is, weet ik het meest, maar de verstandigste ben ik niet.’ Wat was dat slim. We bewonderden hem allemaal, terwijl ieder van ons hoopte dat hij het was die de meester in intelligentie overtrof. Dat was pas een aanmoediging.